Januari Schrijfmaand week 3

      Reacties uitgeschakeld voor Januari Schrijfmaand week 3

Inmiddels is de Januari Schrijfmaand voorbij, maar de trouwe lezer heeft nog de opdrachten van twee weken tegoed. Bij deze de opdrachten van week 3. Het zijn niet de mooiste stukjes die ik ooit geschreven heb. De laatste weken waren behoorlijk hectisch, waardoor de Januari Schrijfmaand even tussendoor moest. Ik kreeg dan ook de feedback dat ik allerlei slordigheidsfouten had gemaakt.

Opdracht 5: Je staat ’s ochtends op en merkt dat je helemaal alleen bent. Al je huisgenoten zijn verdwenen. Lichtelijk in paniek ren je van kamer naar kamer tot je als laatste de deur van de zolder open gooit. Beschrijf op een actieve manier wat je ziet en wat zich afspeelt zodra je de deur opengooit.

Mijn hartslag klopt zo hard in mijn buik, dat ik er bijna misselijk van word. Ik begrijp niet waarom ik aarzel, maar het luik naar de zolder heb ik altijd vermeden. Ik kijk omhoog naar het touwtje, dat uitdagend vanaf het plafond naar beneden bungelt. Ik knijp mijn ogen dicht en geef er een ruk aan. De trap maakt veel teveel lawaai in dit stille huis. Een rilling trekt over mijn rug, terwijl ik voorzichtig mijn voet op de eerste tree zet. Ik spits mijn oren, maar ik hoor nog steeds niets. De stilte is onwerkelijk.
‘Hallo?’
De stilte is nog dieper, alsof die met elk geluid sterker wordt. Nu pas valt me op dat het ongewoon licht is daarboven. Niet het gele lamplicht van de goedkope ikealamp die mijn vader daar jaren geleden heeft opgehangen, maar een helder, wit licht. Voorzichtig klim ik nog een paar treden naar boven, tot ik net boven de vloer van de zolder uitkom. Ik hap naar lucht. Hier houdt het huis op! Er is geen dak. Daglicht valt op de donkere eikenhouten vloer. Verder is de zolder leeg en schoon. Geen dozen, geen spinnen, geen rommel. Naast de zolder is een meisje aan het schommelen op een grasveldje. Ineens begin ik ook geluiden te horen. Kwetterende vogels, het zingen van een kind, de roep van een moeder. Het meisje stopt met schommelen en loopt naar de zolder toe. Ze stapt op de houten vloer en loopt naar het gat van de trap.
‘Hoi, wie ben jij? Kom je mee schommelen? Ik ben Anneke.’ Ze steekt haar hand naar mij uit. Ik hijs mezelf de zolder op en druk haar hand. Ze huppelt voor me uit naar de schommels. Haar gebloemde jurkje bolt op in de wind en haar vlechten dansen rond haar hoofd. Ze zal niet veel ouder zijn dan een jaar of acht. Anneke draait zich om.
‘Kom dan! Of durf je niet?’

Opdracht 6: Je wordt midden in de nacht wakker gemaakt en moet binnen 30 minuten zoveel mogelijk spullen pakken en uiteraard jezelf aankleden. Je krijgt hierbij geen uitleg waarom, maar je krijgt alleen te horen dat je nooit meer terugkeert. De spullen die je meeneemt moeten in maximaal 2 á 3 tassen of koffers passen. Wat neem je mee en wat laat je achter?

Dertig minuten. Ik kijk op de wekker. Twintig voor twee. Mijn ogen glijden over mijn dressboy, waar de kleren van gisteren keurig overheen hangen. Niet nadenken, doen! Ik schiet in mijn spijkerbroek en wurm mijn armen door de mouwen van het strakke shirtje. Ik sprint naar de woonkamer en blijf dan plotseling staan op de drempel. Het aquarium! Hoe moet het met de vissen als ik er straks niet ben? In de groentela van de koelkast vind ik een struikje broccoli. Ik peuter het plastic eraf (als je haast hebt, is dat moeilijker dan je denkt!) en laat het in z’n geheel in het aquarium zakken. Ziezo, daar hebben ze de komende dagen een flinke kluif aan. En daarna? Ik blokkeer de gedachte en gris mijn koffers uit de berging. Ik kieper de lades van mijn kledingkast om in de eerste koffer. Gelukkig ben ik nooit zo’n kledingfanaat geworden als mijn middelbareschoolvriendinnen. Dan had ik hier al keuzes over moeten maken. Sophie zou al haar dertig minuten verspild hebben aan het kiezen uit haar talloze jurkjes. Verspillen! Ik kijk op de klok, er zijn al tien minuten voorbij. Ik rits de koffer dicht en zeul deze naar de voordeur. De tweede koffer zet ik midden in de woonkamer. Mijn blik glijdt gehaast door de ruimte. Ik dwing mezelf rustiger te kijken en waar te nemen wat ik zie. Wat moet er mee? De boeken in mijn boekenkast zijn vervangbaar, op een paar na. De verhalenbundel waar ik in sta, gaat mee, net als de proefdruk van mijn boek. Woordenboek? Nee, vervangbaar en veel te zwaar. Persoonlijke dingen, daar gaat het om. Ik pak mijn jaar-dagboek (ik ben zo slecht in dagboek bijhouden dat ik het al jaren alleen met mijn verjaardag doe) en de bijbel die ik nog van mijn opa gekregen heb. Ik zie de tijdschriftencassette staan waarin ik mijn diploma’s bewaar. Natuurlijk! Ik gris de aantekeningen van mijn whiteboard en kijk op de klok: nog tien minuten. Ineens zie ik mijn computer staan. Raar, zoals je grote dingen ineens niet opmerkt als ze heel dichtbij zijn. Razendsnel bedenk ik waar mijn bestanden zich bevinden. Allemaal in de cloud, behalve op mijn externe hardeschijf. Ik ruk de snoertjes uit mijn computer (tik mezelf ondertussen mentaal op de vingers) en leg het ding in de koffer. Snoertjes… telefoon en tablet! Oplader, hoesje, toetsenbordje. Terwijl ik van de ene kamer naar de andere vlieg, ga ik bijna onderuit op mijn sokken. Welke schoenen doe ik eigenlijk aan? Gelukkig heb ik maar één praktische keuze. Je gaat tenslotte niet op hakken de deur uit als je niet weet wat je te wachten staat. Als de deurbel gaat, schrik ik me rot. Ik rits vlug de tweede koffer dicht en loop naar de voordeur.