Eindelijk terug

      Reacties uitgeschakeld voor Eindelijk terug

Net toen ik op het punt stond om naar de jongen toe te gaan, hoorde ik belletjes rinkelen. Ik verschool mij achter een dikke boomstam en hield mijn adem in. Dat was de slee van de Witte Tovenares!
‘Halt,’ zei een stem. Het rinkelen stopte. Ik gluurde voorzichtig langs de boomstam. De Dwerg hield de teugels van de rendieren stevig beet. De adem die uit hun neusgaten kwam, zag er in de vrieslucht uit als rook. De dame boog zich naar de jongen toe, die stokstijf stil stond op zijn plek.
‘En wat ben jij dan wel, als ik vragen mag?’ zei de Tovenares terwijl ze de jongen van top tot teen bekeek.
‘Ik… ik… Edmund heet ik,’ zei de jongen, die blijkbaar Edmund heette. Het kwam er stuntelig uit.
De Tovenares fronste haar wenkbrauwen. ‘Is dát een toon die je tegen een Koningin aanslaat?!’ vroeg ze, en ze keek nog strenger dan eerst.
‘Neemt u me alstublieft niet kwalijk, Majesteit, ik wist niet wie u was,’ zei Edmund.
‘Wát? Je weet niet wie de Koningin van Narnia is?!’ riep ze uit. ‘Aha! Maar je zult ons nog leren kennen. Maar nogmaals – wat ben je nu voor iets?’
‘Het spijt me erg,’ zei Edmund, ‘ik begrijp niet wat Uwe Majesteit bedoelt. Ik zit nog op school – tenminste, ik zat op school – nu heb ik vakantie.’
‘Maar wat bén je nu precies?’ zei de Tovenares nog eens. ‘Een uit zijn krachten gegroeide Dwerg die zijn baard afgeknipt heeft?’
‘Nee, Majesteit,’zei Edmund, ‘ik heb nog geen baard, ik ben nog maar een jongen.’
Ik sloeg mijn hand voor mijn mond. Dus toch! Ik dacht het al. Of beter: ik was er al bang voor.
‘Een jongen!’ riep de Tovenares uit. ‘Bedoel je dat jij een Zoon van Adam bent?’
Edmund gaf geen antwoord en liet zijn hoofd hangen.
‘Wat je verder dan ook mag zijn, in elk geval ben je niet al te snugger, zie ik wel,’ zei de Tovenares. ‘En nu geef je antwoord. Mijn geduld is op. Voor de laatste keer: ben je een mens?’
‘Ja, Majesteit,’ zei Edmund.
‘En hoe komt het dat je je hier in mijn Rijk bevindt, als ik vragen mag?’
‘Neemt u me niet kwalijk, Majesteit, ik ben door een kleerkast naar binnen gekomen.’
‘Een kleerkast? Wat bedoel je?’
‘Ik… ik deed een deur open en toen was ik ineens hier, Majesteit,’ zei Edmund.
Ik luisterde niet meer verder en leunde met mijn rug tegen de boom. Die jongen had hetzelfde gedaan als ik, jaren geleden. Dat was geweldig nieuws, uitstekend nieuws! Dat betekende dat ik me niets had ingebeeld, dat het echt was zoals ik het me herinnerde. En dat er een weg terug was! Ik moest die jongen te spreken krijgen. Ik gluurde weer langs de stam en zag hoe Edmund in de slee bij de Tovenares zat te eten. Ineens drong de ernst van de situatie tot mij door. Ik moest hem te spreken zien te krijgen, maar hoe?

___

Schrijfoefening van Zinniger Zinnen #24: In de schoenen van…

De opdracht was om een scène uit een boek te nemen en jezelf daar op de een of andere manier in te schrijven. Bovenstaande is gebaseerd op een scène uit ‘Het betoverde land achter de kleerkast’ van C.S. Lewis. Ik heb geprobeerd zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst te blijven. Een deel van dit stuk is dan ook letterlijk geciteerd.