Vandaag niet

Waar ik wakker van ligWaar ik wakker van lig (Schrijverspunt, juni 2015)
Dit verhaal is gepubliceerd in de bundel Waar ik wakker van lig, uitgegeven door clusteruitgeverij Schrijverspunt en onder andere te koop bij bol.com.

Vandaag niet
Rillend sluit ik de gordijnen. De wind lijkt dwars door het huis te waaien. Een bliksemschicht zet de kamer in een spookachtig licht. Vlug kruip ik in bed, diep onder de dekens. Als kind vond ik onweer prachtig. Ik ging voor het raam zitten en genoot van elke flits. Maar sinds het ongeluk moet ik er niets meer van hebben. Zeven, acht, negen. Gelukkig, het onweer is ver weg. Ik knip mijn nachtlampje uit en draai me om. De wind loeit angstaanjagend door de kieren van het gesloten luchtrooster. Daar moet ik morgen toch eens de woningbouw over bellen, ik kan me niet voorstellen dat het zo hoort.
Ik zucht en draai me nog eens om. Dit bed is veel te groot voor mij alleen. Ik knip het nachtlampje weer aan en kijk de kamer rond. Alles is precies zoals ik het achtergelaten heb. Geen verdwaalde sokken op de vloer, geen boxer op het schoenenrek. Hoe vaak heb ik me daaraan gestoord? Onzinnige irritaties waren dat. Als Bart nu thuis zou komen, zou hij zoveel sokken op de vloer mogen laten slingeren als hij wil. Ik kijk naar de foto op mijn nachtkastje. We staan op een berg in Oostenrijk. Bart lacht zo leuk op die foto. Een harde donderklap maakt ruw een einde aan mijn gemijmer. Ik knip het nachtlampje weer uit en ga op mijn rug liggen. Als ik vroeger toen ik klein was niet kon slapen, ging ik altijd heel stilletjes op mijn rug liggen wachten tot ik in slaap viel. Meestal werkte dat.
Morgen moet ik naar het ziekenhuis. De dokters vinden dat het tijd is. Ik niet, maar ik moet toch komen. Ik sluit mijn ogen en probeer niet aan morgen te denken. Onwillekeurig moet ik lachen. Niet aan morgen denken is net zoiets als niet aan een roze olifant denken; onmogelijk! Ik hoor een zachte piep, zo’n hartslagpiep uit het ziekenhuis. Langzaam maar zeker wordt de piep harder. De volgende onweersklap maakt dat ik recht overeind in bed zit. In het licht van de bliksem zie ik iemand in mijn kamer staan. Ik probeer te gillen, maar mijn keel voelt dichtgeknepen. De persoon komt dichterbij, duwt mij zachtjes terug in de kussens en gaat op de rand van het bed zitten. Ineens herken ik mijn man.
‘Sst,’ fluistert hij. ‘Het is al goed. Ik ben toch altijd bij je. Ga maar rustig slapen.’ Hij dekt me toe en wrijft over mijn been. Ik voel een weldadige rust van binnen. Bart knikt bemoedigend. Ik draai op mijn zij en sluit mijn ogen. Dit keer geen piep op de achtergrond. Barts ademhaling klinkt kalm boven het gehuil van de wind uit. Het niets van de slaap is zalig.

De volgende morgen word ik vroeg wakker. Als ik de gordijnen open doe, zie ik dat de storm vannacht een enorme ravage heeft aangericht op ons balkon. Overal liggen losse takken en bladeren, de stelen van mijn zorgvuldig gekweekte zonnebloemen zijn geknakt en vlak voor de balkondeur ligt een gebroken dakpan. Ik staar naar de rode scherven. Ze liggen daar zo precies voor de deur alsof ze er iets mee bedoelen. Ik schud mijn hoofd. Niet overal iets achter zoeken. Met stoffer en blik veeg ik de scherven bij elkaar en gooi ik ze in de prullenbak. Een blik op de klok vertelt me dat ik moet opschieten, wil ik op tijd in het ziekenhuis zijn.
Tien minuten later zit ik in de kleren van gisteren met een pakje ontbijtcrackers tussen mijn tanden in de auto. Het is druk op de weg. Bart blijft altijd heel kalm in dit soort situaties, maar mij lukt het niet. Geïrriteerd druk ik mijn claxon in als een opgeschoten puber zijn fiets voor mijn auto gooit. Ik kan nog net op tijd op de rem trappen. In het ziekenhuis weet ik feilloos de weg. Vijf minuten voor de afgesproken tijd zit ik naast zijn bed. Bart ligt er vredig bij, ondanks alle slangen en kastjes die op hem aangesloten zijn. In de afgelopen maanden heb ik geleerd door de tubes heen te kijken – ik zie ze niet eens meer. Ik strijk door zijn haar. De wond op zijn hoofd is al genezen, maar hij heeft nog wel een kale plek. Hij zou waarschijnlijk de rest van zijn haar ook afscheren. Tenslotte is zo’n gladde kop best stoer als je motor rijdt. Wat moest hij eigenlijk met die motor? Na al die jaren dat we samen zijn, vind ik het nog steeds niet bij hem passen. Was hij maar nooit naar die motordag gegaan, dan hadden we nu…
Ik denk terug aan vannacht. Bart was er niet echt, het was natuurlijk een droom. Het is al goed. Ik ben toch altijd bij je. Ik kijk naar de persoon in het ziekenhuisbed, naar de hersenmonitor, die al maanden een rechte lijn laat zien en naar de volle rij stopcontacten onder het bed. Het is al goed. Met tranen in mijn ogen ren ik het ziekenhuis uit. Vandaag niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *