Noordwesterstorm

Prozawedstrijd (Woordenstroom, oktober 2015)
Dit verhaal is geselecteerd voor publicatie op de site van Woordenstroom in de rubriek Schrijversweb 2015. Het verhaal hoort bij de beste acht inzendingen voor de vijfde ronde van dit jaar. Woordenstroom is een doorlopende tweemaandelijkse prozawedstrijd.

Noordwesterstorm

De avond van 18 november 1421

‘De dijk is doorgebroken, we moeten weg!’
Duna schrikt wakker en kijkt naar buiten. Een stevige noordwesterwind raast door de polder. Het maanlicht wordt weerkaatst door de Merwede, die normaal als een dikke slang door het landschap glijdt. Nu is de slang echter een wilde beer geworden met een steeds groter wordende buik. Dwars door het gebulder van de aangetrokken wind hoort ze de noodklokken op de kerktoren klaaglijk loeien. Ze trekt haar schoenen aan en haast zich naar beneden. In de gang staan haar beide broertjes al te wachten. Moeder loopt gejaagd door het huis met een zak in haar hand. Tranen stromen over haar wangen.
‘Kom, Heiltje, we moeten nu gaan!’ schreeuwt vader boven het geweld uit. Hij reikt haar haar mantel aan, neemt de zak van haar over, stapt de deur uit en zet er flink de pas in. Moeder pakt de jongens bij de hand en loopt samen met Duna achter vader aan. Ze zijn niet de enigen die vluchten voor het water; van alle kanten komen mensen bepakt en bezakt hun huis uit. Duna haalt vader in.
‘Waar gaan we heen?’
‘Naar Dordrecht, daar zijn we veilig.’
‘Halen we dat wel?’ Duna kijkt angstig achterom. Moeder loopt een paar meter achter hen, de jongens kunnen het tempo nauwelijks aan. Vader kijkt nors voor zich uit en geeft geen antwoord. Zwijgend lopen ze verder. De stroom vluchtelingen wordt steeds groter. Als ze Wieldrecht achter zich laten, valt het noodweer pas goed op. De wind beukt zijdelings in op de treurige stoet, met maar één doel: hen van de aardbodem wegblazen. Duna’s mantel biedt geen bescherming tegen de snijdende kou en stevig doorstappen helpt nauwelijks. In de verte ziet ze de omtrekken van huizen verschijnen. Zou dat Dordrecht al zijn? Zou Haeck al wakker zijn? Zou hij zich ongerust maken? Drie jaar geleden kwam ze hem tegen op de jaarmarkt in Dordrecht. Hij stond achter een kraam met bussen zout. Het was liefde op het eerste gezicht. Daarna kwam Haeck regelmatig op bezoek en als zij in de stad was, ging ze bij hem langs. Na ruim een jaar vroeg hij haar vader om haar hand. Hij stond de verloving toe, maar stelde als voorwaarde dat Haeck eerst de meesterproef zou afleggen. Ze vindt het niet erg om daarop te wachten, voor Haeck heeft ze alles over. De gedachte aan haar verloofde geeft haar nieuwe energie. De huizen in de verte komen dichterbij, maar ze horen bij het naastgelegen dorp. Een trieste stoet mensen sluit zich bij hen aan. De moed zakt Duna in de schoenen. Ze zijn nog lang niet in de stad, ze zijn nog niet eens op de helft. Zullen ze Dordrecht ooit halen?

***

Het schelle geluid van de noodklok wekt Haeck ruw. Hij luistert naar het beieren en herkent de klanken: het water komt! Muloc, zijn baas, keek gisteren al bezorgd naar de lucht en mopperde over een noordwesterstorm. De wind blies ongenadig door de kieren van de zoutketen, waardoor het vuur onder de ketels onrustig flikkerde. Tegen het eind van de middag moesten ze het vuur zelfs uitmaken, omdat het gevaar voor brand te groot was. Muloc wilde zijn zaak niet riskeren. Haeck staat op en trekt zijn kleren aan. Zijn oog valt op de gedroogde roos die aan de muur geprikt is. Duna plukte die speciaal voor hem toen ze op een mooie zondagmiddag gingen picknicken in het bos. Ineens heeft hij haast. Hij moet uitvinden van welke kant het water komt. Misschien is Duna wel in gevaar!
Iemand bonkt hard op de deur.
‘Haeck, doe open!’
Haeck slaat zijn mantel om en opent de deur. Een windvlaag blaast Muloc naar binnen.
‘Je moet mij helpen mijn zaak te redden,’ zegt Muloc kortaf. Hij draait zich om en blijft staan op de drempel. ‘Niet treuzelen, schiet op.’
Hoewel het nog heel vroeg in de ochtend is, zijn er al veel mensen op de been. De noodklokken doen hun werk goed. Terwijl ze de stad uitlopen, kijkt Haeck naar de man naast hem. Muloc ziet er gespannen uit, de rimpels in zijn gezicht zijn veel dieper dan anders. Zijn blik is verbeten en zijn mond vertoont een vreemde grimas. Al acht jaar is Haeck nu zijn gezel, maar nog altijd ziet Muloc hem niet voor vol aan. En dat terwijl Haeck toch alle facetten van de zoutwinning beheerst. Elke week komt er een schuit in de haven met zakken sel, as van verbrande zoute turf. Met kruiwagens brengen ze die zakken naar de zoutketen, die net buiten de stad aan de gracht staat. In de zoutketen maken ze pekel van de sel. In enorme ketels mengen ze de sel met zout water. Dit mengsel brengen ze aan de kook boven enorme vuren. Eerst zeven ze de roetdeeltjes uit de brei en vervolgens koken ze de pekel in tot er alleen nog zout overblijft. Zout is belangrijk, omdat het gebruikt wordt om voedsel in te maken. Zeker na het oogsten is de vraag groot. Het werk in de hete, zilte ruimte is niet het mooiste ambacht denkbaar, maar het is nog altijd beter dan het werk van leerlooiers en slagers. Haeck wil niets liever dan de meesterproef afleggen, zodat hij zijn eigen zaak kan beginnen en met Duna mag trouwen. Hij is er al vaak over begonnen bij Muloc, maar die wil zijn hulp niet kwijt.

Als ze bijna bij de zoutketen zijn, staat Haeck stil. Voor hem strekt zich het polderlandschap van de Grote Waard uit, dat bij mooi weer wel tot de Merwede zichtbaar is. Hij neemt hier elke dag een moment om aan zijn verloofde Duna te denken. Nu kijkt hij gespannen naar de lucht. De wolken worden in de richting van de stad gestuwd. De lucht boven de waard is gevaarlijk donker. Ziet hij het goed? Hij kijkt nog een keer. Ja, onder de wolken ontwaart hij een grauwe slinger van mensen die zijn kant op beweegt. Zijn hart krimpt ineen; de Waard loopt onder! Hij stelt zich voor hoe Duna zich met haar familie en talloze andere mensen door de polder haast, net als de mensen voor hem. In paniek rent hij naar Muloc, die allang in de zoutketen is.
‘Mijn verloofde is in de Waard. Mag ik uw schuit lenen om haar te redden?’ Haeck wacht het antwoord niet af en loopt naar de deur. De bulderende stem van zijn baas houdt hem tegen.
‘Niets daarvan, jij gaat mij helpen om mijn zaak te redden. Ik ben zo goed geweest om je de afgelopen jaren het vak te leren en nu de zaak gevaar loopt wil je er vandoor? Ondankbaar scharminkel dat je bent! Hier, pak aan!’ Muloc loopt met een kruiwagen vol zakken sel naar hem toe. ‘Leegmaken in de schuit. Zet die meid van je maar uit je hoofd.’
Schijnbaar gehoorzaam rijdt Haeck de kar naar buiten. Inwendig kookt hij. Ondankbaar scharminkel? Die meid? Wie denkt Muloc wel dat hij is? Hij moet blij zijn dat Haeck bij hem het vak is komen leren. Hij heeft zelf immers geen kinderen die zijn zaak kunnen overnemen als hij oud is. Even overweegt Haeck om de sel in het water te gooien, maar in plaats daarvan kwakt hij het met kar en al in de schuit. Hij kijkt over zijn schouder. Gelukkig, Muloc is nergens te zien. Dan zet hij het op een lopen. Hij volgt de oever van de gracht tot de keten uit het zicht is, stopt en kijkt de Waard over. Verbeeldt hij het zich, of is de Merwede veel dichterbij dan anders? Hij hapt naar lucht, zijn keel voelt dichtgeknepen. In blinde paniek rent hij de Waard in.

Na een poos staat hij uitgeput stil. Voor hem ligt de wijde Waard, met aan de horizon een grauwe streep water die steeds dichterbij komt. De eerste vluchtelingen passeren hem. Op deze manier komt hij nooit op tijd. Binnensmonds foetert hij Muloc uit, de oude vrek. Dan krijgt hij een idee. Zo snel als hij kan rent hij in de richting van de oever van de Merwede, die helemaal om de Waard heen stroomt, terwijl hij de pijn in zijn zij negeert. Al snel vindt hij wat hij zoekt: in het gras op de oever ligt een klein roeibootje. De voorste punt staat vol water. Haeck kijkt om zich heen; er is niemand te zien. Even verderop staat een vervallen schuurtje, waar hij twee roeispanen, een emmer en een deken vindt. Hij begint te hozen. Bij de derde emmer glijdt hij bijna uit op de natte waterkant. Hij zet de emmer neer en duwt het bootje omver. Als het water eruit gelopen is, draait hij het weer om. Het ziet er nog aardig nat uit, maar hij kan er nu wel in varen. Met de roeispanen zet hij zich af aan de oever en begint te roeien. Hoewel hij de stroming mee heeft, zit de wind hem behoorlijk dwars. Verbeten zet hij door en blijft de oever van de Merwede volgen. Donkere wolken pakken zich samen en de eerste druppels vallen naar beneden. Het lijkt ineens wel avond, zo donker. Hij concentreert zich op het roeien en kijkt stug naar de punt van de boot.
De laatste keer dat hij zich in een bootje als dit bevond, zat hij bij zijn moeder op schoot. Hij was toen nog maar zes jaar. Vader roeide. Het bootje schommelde enorm en ze kwamen maar langzaam vooruit. Moeders warme tranen vielen in zijn nek. De buurman had geschreeuwd dat het water kwam. Ze moesten de familieboerderij in de Riederwaard achterlaten en mochten het bootje van de buurman gebruiken om te vluchten. Vader keerde gelijk om toen ze in Dordrecht aankwamen. Hij zou de buurman ophalen. Toen hij wegroeide, zwaaide hij. Hij kwam nooit meer terug.
Haeck kijkt op en schrikt. De oever van de Merwede is verdwenen en vlak voor zich ziet hij een kerktoren! Dat betekent dat er al een heel dorp is verdronken. Haastig roeit hij verder de Waard in, terwijl hij zich probeert te oriënteren. Van welk dorp kwam hij net de toren tegen? Ondanks het gebulder van de wind, valt het hem op hoe stil het is. Hier is geen levend wezen meer te vinden. Een koude rilling trekt over zijn rug en hij dwingt zichzelf op de torens te letten. Hoe verder hij vaart, hoe hoger de torens worden. Dat betekent dat hij naar het noordwesten vaart, waar het land steeds hoger wordt. Dan herkent hij de toren van Wieldrecht. De angst slaat hem om het hart terwijl hij een rondje om de kerktoren vaart. Hij ziet niemand. Alles wat er is overgebleven van het dorp is de toren. Hij kan zijn tranen niet meer bedwingen. Hij is te laat. Misschien had hij haar nog kunnen redden als hij vanmorgen direct hier naartoe was gegaan. Misschien… maar nu is het te laat. Lusteloos peddelt hij in de richting van Dordrecht.

Hij weet niet hoe lang hij al gevaren heeft. Om hem heen is het grauw en donker, terwijl het toch nog geen nacht kan zijn. Zijn schouders doen pijn en hij rilt van de kou. De regen spoelt de tranen van zijn gezicht. Even sluit hij zijn ogen. Wat waren de warme zomerzondagen heerlijk, die hij samen met zijn lieve verloofde doorbracht in de Waard. Gearmd een flink eind wandelen met een grote picknickmand, dat was pas genieten! Hij zag het helemaal voor zich: hij zou zijn meesterproef halen en het huis opknappen. Hij zou Duna meenemen naar de jaarmarkt en nieuwe meubels met haar uitzoeken. De bruiloft zou sprookjesachtig zijn. Ze zouden trouwen in het kerkje van Wieldrecht, hij zou een prachtige jurk voor haar laten maken – daar spaarde hij al jaren voor. Ze zou stralen, zo mooi, dat hij zich er haast geen voorstelling van durfde maken. Dan zouden ze samen de kerk uitlopen, gevolgd door een hele stoet mensen, en er zou een enorm feest zijn in het dorp, met lekker eten en een kampvuur. Hij zou haar in een rijtuig meenemen naar Dordrecht. Daar zou hij zijn eigen zoutbedrijf beginnen en zij zou van hun huis echt een thuis maken. In zijn dromen kookte zij de heerlijkste gerechten en brachten ze veel donkere avonden door in bed, knus onder de dekens. Maar nu zal er van al die mooie plannen niets terecht komen. In machteloze woede plonst hij de roeispanen in het water. Ze hadden allang getrouwd kunnen zijn als Muloc hem de meesterproef had laten doen. Dan hadden ze nu samen veilig in de stad gewoond. Hij trekt driftig aan de riemen en botst dan tegen een kerktoren. Hij was zo in gedachten verzonken, dat hij helemaal niet heeft opgelet waar hij vaart. Hij zet zich af tegen de toren en draait het bootje. Dan hoort hij heel zacht een stem boven de wind uit.
‘Help!’
Haeck vaart om de toren heen en kijkt omhoog. Daar beweegt iets.
‘Help!’ klinkt het harder. De loeiende wind vervormt het stemgeluid en maakt het moeilijk te verstaan. Haeck spitst zijn oren en roeit op het geluid af tot de boot aan de voet van de toren ligt. Hij kijkt naar boven en ziet een meisje in de toren. Ze klampt zich wanhopig vast aan een houten balk. Met elke windvlaag glijdt ze een beetje weg.
‘Ik heb een boot, ik kom je redden!’ schreeuwt Haeck. Een nieuwe vlaag wind en regen ontneemt hem voor even het zicht. Als hij zijn ogen weer open doet, ziet hij hoe het meisje uit de toren valt. Vlak voor zijn boot plonst ze in het water. Haar lichte jurk ziet er spookachtig uit. Haeck grijpt haar arm en trekt haar in de boot. Het is Duna! Hij laat haar tegen de achtersteven rusten en veegt de haren uit haar gezicht. Ze heeft haar ogen dicht, reageert nergens op en voelt ijskoud aan. Hij legt de deken uit het schuurtje over haar heen en als hij voelt hoe nat de deken is, ook zijn jas. Dan vaart hij zo gauw als hij kan terug naar Dordrecht.
De haven van Dordrecht is uitgestorven. Het valt Haeck op dat het water veel hoger staat dan vanmorgen. Het is helemaal donker geworden, alleen bij de poort van de stad brandt een fakkel. Hij tilt Duna uit de boot en draagt haar naar zijn huis. Hij legt haar op zijn bed en verzamelt alle dekens die hij kan vinden. Duna heeft haar ogen nog steeds dicht en haar ademhaling klinkt onrustig. Hij drukt een kus op haar koude voorhoofd, steekt een kaars aan en zet die op de tafel. In de deuropening blijft hij even staan om naar zijn verloofde te kijken. Dan loopt hij naar buiten, de nacht in. Hij moet iemand om hulp vragen, Duna kan toch niet in haar natte kleren blijven liggen. Een paar straten verderop is het gasthuis van de nonnen. Daar is hij bekend, want zijn moeder bracht er de laatste jaren van haar leven door. Een bezorgde non komt snel met hem mee en verzorgt Duna. Als ze weer weg is, legt Haeck een strozak op de grond naast zijn bed en valt uitgeput in slaap.

***

Met een paar ferme slagen timmert Haeck een plank vast aan het dak van de zoutketen. De vloed is nu een week geleden en het gebouw heeft er flink onder geleden. Toen hij een paar dagen terug bij de zoutketen ging kijken, vond hij Muloc op de vloer – verdronken. In zijn huis lag een flinke voorraad sel, genoeg om de zaak weer op te starten.
Duna is gelukkig helemaal opgeknapt. Ze moest van de dokter een week in bed blijven om aan te sterken. Nu ze op is, gedraagt ze zich als de vrouw des huizes, alsof het nooit anders is geweest. Ze hebben nog een keer gepraat over die inktzwarte nacht, maar de stilte die volgde was zo pijnlijk, dat ze stilzwijgend hebben afgesproken er niet meer over te praten.
Terwijl Haeck van de ladder afklimt om de volgende plank te pakken, ziet hij Duna de stad uit komen. Ze straalt in haar lichtblauwe jurk en ze heeft een picknickmand aan haar arm.
‘Etenstijd!’ roept ze vrolijk.
Haeck loopt naar haar toe en drukt een kus op haar voorhoofd. Samen gaan ze in het gras naast de keten zitten. Op de gracht voor hen is het een drukte van belang. Handelaren proberen de schade van de vloed in te halen. Niemand let op hen. Intens gelukkig kijkt Haeck naar de mooie vrouw naast hem. Hij verdrinkt in haar prachtige, blauwgroene ogen. Teder pakt hij haar hand; nooit laat hij haar meer gaan.