De vrouw in het gele regenpak

SchaduwkantCriminal Minds (LetterRijn, mei 2015)
Dit verhaal is gepubliceerd in de bundel Schaduwkant, uitgegeven door uitgeverij LetterRijn.

De vrouw in het gele regenpak

Wie zint op wraak, houdt zijn eigen wonden open.
Francis Bacon

Het regent pijpenstelen. Willem loopt naar het park. Hij trekt de capuchon van zijn jas diep over zijn oren en schopt tegen een losliggend steentje. Binnen een paar minuten is hij doorweekt, maar dat deert hem niet. Met zijn handen in zijn broekzakken steekt hij de weg over. Hij trapt het hekje van het park open en slaat linksaf. Normaal is dit stukje natuur een oase van rust in een overvolle stad, een plek waar kinderen spelen, waar vogels hun nesten bouwen, waar de zon vrij spel heeft. Vandaag niet, vandaag is het park net zo’n sombere, natte bedoening als de rest van de wereld.
Terwijl hij over het zandpad slentert, denkt hij terug aan vanmorgen toen hij opstond in een leeg huis. Hoewel hij al jaren alleen woonde in het huis waar hij was opgegroeid, voelde het vanmorgen voor het eerst even echt van hem. Het maakte hem bijna vrolijk. Hij zette koffie en plofte op de bank. Toen viel zijn blik op het fotolijstje in de vensterbank. Het was een eenvoudig bruin lijstje met een goedkope foto van een oude vrouw in een schommelstoel. Haar huid zag grauw van een leven lang roken en haar blik was streng, vorsend. Met een schok zat Willem kaarsrecht op de bank. Ineens zag hij haar staan in zijn ooghoek. Hij hoorde de veroordelende klak van haar Zippo. Met zijn rechterhand voelde hij aan zijn linker onderarm. Nog voor hij zijn hoofd kon draaien, was ze weer weg. Hij stond vastberaden op, liep naar de vensterbank en pakte de fotolijst met twee handen beet. Hij liep ermee door de keuken naar de achterdeur. Met zijn elleboog duwde hij de klink naar beneden, deed een stap naar voren en smeet de lijst tegen de stoeptegels. Er sprongen drie dikke barsten in het glas. Met de hiel van zijn werkschoen trapte hij het glas nog verder aan stukken. De regen plensde op de foto en vervaagde de kleuren. Hij besloot naar het park te gaan en trok de deur achter zich dicht.
De modderpoeltjes die zijn ontstaan op het zandpad besmeuren zijn schoenen.
‘Pas je op dat je laarsjes niet vies worden?’ hoort hij achter zich. Hij draait zich om. Er is niemand te zien. Zo hard hij kan, stampt hij in de volgende plas. De modder spat alle kanten op. Hij loopt langs een bankje waar een vrouw in een kanariegeel regenpak een sigaret rookt. Met stevige passen passeert hij haar. Als ze hem maar met rust laat.
‘Vies weer is het, vindt u ook niet?’ Een moment blijft Willem als versteend staan. Zijn maag draait zich om. Hij kent die stem; rauw en veel te laag voor een vrouw. Het is de stem van zijn moeder. Zijn moeder is dood. Dat weet hij heel zeker. Gisteren stond hij aan haar graf, gisteren draaide hij zelf de schroeven van haar kist dicht. Net als nu kwam de regen met bakken uit de lucht. Behalve de doodgravers was er niemand. Zijn moeder had nooit vrienden gemaakt. Bijna was ook hij niet gegaan, maar hij had de moed niet. Zelfs nu ze dood was, durfde hij niet tegen haar in te gaan. Die verbeten trek om haar mond nam ze mee de kist in en het leek alsof haar ogen dwars door haar oogleden nog steeds om zich heen priemden. Hij had zijn nette pak aangedaan, de pluisjes eraf geborsteld en zijn zondagse schoenen gepoetst. Anders zou ze daar ook nog commentaar op hebben.
Nee, deze vrouw is niet zijn moeder.
‘Komt u er toch bij zitten!’ nodigt de vreemde vrouw hem naast zich. Werktuiglijk draait hij zich om en loopt een paar passen terug. Hij gaat zitten op het uiterste puntje van de bank, zo ver mogelijk bij dit nare mens vandaan. Een rookwolk maakt hem aan het hoesten.
‘Mijn excuses, vindt u het vervelend dat ik rook?’ Willem zwijgt. Terwijl hij de rook inademt, vervaagt het geel naast hem.
‘Schone lucht is voor zwakkelingen.’ Een dikke walm snijdt hem de adem af. Hij voelt een tikje op zijn schouder.
‘Meneer, ik vroeg u iets.’
‘Laat me met rust,’ snauwt Willem. Hij staat op en loopt het park uit.

Na de plensbuien van gisteren probeert de zon de aarde op te drogen. Willem zit op een bankje in het park en kijkt naar de kinderen die in de speeltuin spelen. Op eenzelfde bankje naast het klimtoestel zit een moeder in een modieuze rode jas. Ze schreeuwt iets naar haar zoontje. Willem kan haar niet verstaan. Hij staat op en loopt dichter naar de speeltuin toe. Voor het hek blijft hij staan. De vrouw heeft een sigaret tussen haar lippen en steekt die aan met een Zippo. Klak.
Het gezicht van de vrouw verandert, hij ziet zijn moeder.
‘Willem! Hier komen, nu!’ Een jongetje van vijf komt bedremmeld aanlopen. Willem herkent het shirtje dat hij draagt. Het was zijn lievelingsshirt toen hij klein was, een lichtblauw shirt met het logo van de plaatselijke voetbalclub erop. Hij mocht van zijn moeder niet op voetbal, maar met dit shirt aan voelde hij zich toch een beetje een voetballer.
‘Wat zie ik nu? Je hebt een vlek op je broek gemaakt. Ik had nog zo gezegd dat je voorzichtig moest zijn.’ Het jongetje kijkt naar de grond. Zijn moeder pakt hem ruw bij de arm en stroopt zijn mouw op. Het gave kinderhuidje is verpest met ronde brandplekjes. Ze pakt de sigaret die tussen haar lippen bungelt. Het jongetje knijpt zijn ogen stijf dicht.
Willem voelt een steek. Op het moment dat hij zijn onderarm grijpt, is zijn moeder verdwenen. De vrouw met de rode jas neemt een diepe haal van haar sigaret en staat dan op.
‘Roy, ga je mee? Het is etenstijd!’ Een blond jongetje van vijf komt aanhuppelen en pakt de hand van zijn moeder. Ze verdwijnen achter de bomen. Even aarzelt Willem, maar dan loopt hij achter hen aan. Hij raakt het beeld van zijn moeder maar niet kwijt. Hij heeft haar begraven – weg, dood, verdwenen. Maar ze is niet verdwenen. Ze is absoluut niet verdwenen. Ze is meer aanwezig dan ze de laatste jaren van haar leven was, toen ze in een bejaardentehuis woonde. Toen zat ze haar zoon alleen op de huid als hij bij haar was of als ze hem opbelde. Nu verschijnt ze zomaar, wanneer het haar uitkomt. Ze haalt alle narigheid van vroeger boven, steekt tergend haar sigaret op en blaast de rook in zijn gezicht. Willem voelt de agressie opborrelen uit zijn tenen en zet er flink de pas in. Voorbij de bomen ziet hij het tweetal weer. Een moeder in een gele jas en een klein jochie in een lichtblauw voetbalshirt. Hij moet en zal hen inhalen. Als ze een steegje inslaan, ziet hij zijn kans. Ruw duwt hij de vrouw tegen een houten schutting en grijpt met twee handen naar haar keel. Ze probeert hem van zich af te duwen, maar hij laat zich niet afleiden. De wereld om hem heen is verdwenen. Hij ziet alleen nog maar zijn moeder. In haar eeuwige gele regenjas fietst ze door de regen, met een mand aardappels aan haar arm. Hij hoort haar schreeuwen dat hij afschuwelijk duur is in de kost, dat hij voortaan zijn eigen aardappels maar moet schillen. Hij ziet haar rood aangelopen gezicht en hij ziet een bedremmeld jongetje, met ogen vol angst, doodstil naar de grond starend. Hij hoort hoe ze haar sigaret sissend uitdrukt op zijn arm, hij hoort de onderdrukte gil van het kereltje, een gil die door merg en been gaat. Daarna het smalende lachje van de vrouw die een moeder voor hem had moeten zijn. Willem schreeuwt het uit en knijpt alsof hij zijn duimen door zijn moeders strot probeert te duwen. Als hij haar eindelijk, uitgeput, loslaat, zakt de vrouw in de rode jas levenloos op de grond. Een luide schreeuw haalt Willem terug in de werkelijkheid. Roy is naar zijn moeder toe gerend en brult nu de hele buurt bij elkaar. Willem schrikt ervan. Hij rent de steeg uit, de straat op, naar huis. Zijn moeder is ontkomen, de heks.

Een paar dagen later loopt Willem door de supermarkt. Het maakt niet uit welk gangpad hij kiest, overal hoort hij de stem van zijn moeder.
‘Eet je groenten’, ‘chocolade heb je niet verdiend’, ‘broodbeleg is een luxe die wij ons niet kunnen veroorloven’, ‘honden eten worst, je bent toch geen hond?’
Hij krijgt er hoofdpijn van en loopt naar de kant-en-klaar afdeling. Die bestond vroeger nog niet, dus hier is hij de baas. Hij kiest een pakje met twee cheeseburgers en rekent af bij een jong grietje. Het bonnetje mag ze houden. Als hij de supermarkt uitloopt, ziet hij een moeder en een zoontje van een jaar of zeven met een volle boodschappenkar bij een SUV staan. Het jongetje is bezig de boodschappen een voor een uit de kar te tillen en in de auto te leggen, terwijl de moeder een sigaret opsteekt. Haar Zippo weerkaatst het zonlicht als ze hem terugstopt in het borstzakje van haar spijkerjack. Het jongetje draagt een T-shirt met lange mouwen, terwijl het heerlijk weer is vandaag. Willem pakt zijn linkerarm vast en loopt in de richting van de auto. Zodra hij de sigaret ruikt, verandert de wereld om hem heen. De SUV is een oude Toyota, de vrouw met het spijkerjack heeft een gele jas aan en het jongetje laadt aardappels een voor een in een rieten mand. Hij begint te rennen en komt pas tot stilstand als hij zijn handen om de nek van zijn moeder heeft. Ze kijkt hem kwaadaardig aan en probeert haar sigaret uit te drukken op zijn arm. Hij knijpt zijn ogen dicht. Ineens is hij weer het jongetje van vijf met een vlek op zijn broek. Gelaten steekt hij zijn arm uit, wacht op het onvermijdelijke oordeel. Alle onmacht verzamelt zich in zijn houdgreep. Soms, als hij niet kan slapen, telt hij de putten op zijn arm. Het zijn er 34, sommige dieper dan andere. De laatste keer dat hij met korte mouwen naar de supermarkt ging, werd hij nagewezen door een kleuter. ‘Kijk, mama, die meneer heeft een rare arm!’ Dat was vijftien jaar geleden, daarna is hij nooit meer zonder mouwen de deur uitgestapt.
Als hij zijn ogen weer opendoet en zijn greep verslapt, is zijn moeder verdwenen. Het levenloze lichaam van de vrouw in het spijkerjack zakt op de grond. Zijn moeder is weer ontkomen! Schichtig kijkt Willem om zich heen. Behalve het jongetje heeft niemand iets gezien. Het ventje heeft zich vastgeklampt aan de winkelwagen en staart hem met grote betraande ogen aan. Willem gaat op zijn hurken voor hem zitten.
‘Sst!’ gebaart hij. Het jongetje knikt. Willem loopt de parkeerplaats af. Als hij de hoek van het gebouw omgaat, kijkt hij nog een keer achterom. Het jongetje kijkt hem na.

Klak, hoort Willem achter zich. Daar staat ze, in haar slobberige joggingbroek met een grauw T-shirt en een vers gedraaid shagje in haar vingers. In haar ogen ziet hij zowel uitdaging als irritatie. Hij rent naar haar toe en grijpt naar haar keel. Maar net zo plotseling als zijn moeder er was, is ze ook weer weg. Willem grijpt in het niets. Dan hoort hij het weer, schuin achter zich – klak. Vlug draait hij zich om; dit keer zal ze hem niet ontkomen. Hij stapt vastberaden op haar af en knijpt met twee handen haar keel dicht. Ineens verandert zijn prooi, hij ziet de moeder in de rode jas. Van schrik laat hij los en de vrouw lost op in het niets. Klak, hoort hij weer. Hij springt achteruit, als een leeuw die zijn prooi aanvalt, grijpt in het wilde weg naar haar keel. Dit keer zál hij zijn moeder… maar het is haar niet, weer niet. Hij heeft zijn handen om de kraag van een leeg geel regenpak.
Willem stapt uit bed, loopt naar de badkamer, plenst water in zijn gezicht en poetst zijn tanden. Dan loopt hij terug naar de slaapkamer, maakt het bed minutieus op, trekt zijn pyjama uit en doet een schone boxer aan. Zijn pyjama vouwt hij keurig op en legt het op zijn kussen. Dan loopt hij naar beneden om koffie te maken. Terwijl hij wacht tot het koffiezetapparaat doorgelopen is, hoort hij in gedachten zijn moeder foeterend van de trap komen. Altijd was er wel iets; zijn deken lag niet recht genoeg, zijn pyjama was niet netjes genoeg opgevouwen of hij had zijn tanden niet gepoetst. Elke morgen weer deed hij zijn uiterste best om het allemaal precies goed te doen en elke morgen weer faalde hij. Dan stond hij met zijn handen op zijn rug bij de trap met gebogen hoofd de verwijten te incasseren. In zijn ooghoek flikkert een vlammetje en een enorme rookwolk vervaagt zijn herinnering. Het koffiezetapparaat haalt hem met een droge tik uit zijn trance. Hij schenkt zijn kopje vol en sloft naar de woonkamer, waar hij lusteloos op de bank ploft en de tv aanzet. Op alle kanalen is hetzelfde te zien. Achter een deftige lessenaar staat een woordvoerder van de politie. Hij houdt een serieuze toespraak. Onder in beeld loopt een balk met korte nieuwsberichten: twee vrouwen vermoord omgeving Julianapark – politie doet uitgebreid onderzoek op de plaatsen delict – nog geen spoor van de dader.
‘We zoeken een man in de dertig, fysiek fit. Hij heeft geen vaste baan of onregelmatige werktijden. De slachtoffers waren allebei rokende vrouwen rond de veertig met een klein kind. De kinderen zijn ongedeerd en worden opgevangen door jeugdzorg. We raden moeders met kinderen aan om voorlopig zoveel mogelijk binnen te blijven. Bedankt voor uw aandacht.’
Willem zet de tv af. Buiten schijnt de zon. Hij trekt zijn jas aan en stapt de voordeur uit. Het park ligt er verlaten bij. De oproep van de politie heeft gewerkt. Er spelen geen kinderen in de speeltuin, er zitten geen moeders op de bankjes een sigaret te roken. Hij is alleen. Zijn moeder laat hem voor even met rust. Hij wordt er onrustig van. Hij stopt zijn handen diep in zijn broekzakken en stapt stevig door. Twee keer is het mislukt. Twee keer is ze hem ontkomen. In gedachten beleeft hij die ontnuchterende momenten weer, toen zijn moeder iemand anders moeder bleek te zijn. In machteloze woede balt hij zijn vuisten. Ineens ziet hij tussen de bomen bij de uitgang van het park iets geels. Hij vertraagt zijn tempo. Dichterbij gekomen blijkt het een vrouw in een geel regenpak te zijn. De rook van haar sigaret komt hem tegemoet. Ineens weet hij het zeker. Die vrouw, op dat bankje, is zijn moeder. Dit keer zal ze hem niet ontglippen! Hij rent naar haar toe, slaat de sigaret uit haar hand en grijpt haar keel. Zijn moeder grijpt zijn polsen, maar hij trotseert haar. Dit keer zal hij winnen. Dit is zijn vergelding voor alles wat ze hem heeft aangedaan. Hij kijkt recht in haar smalende ogen en lacht als hij het leven uit haar ziet wegvloeien. Eindelijk is hij vrij. Met opgeheven hoofd loopt Willem het park uit. Hij heeft zijn moeder gewroken. Op het bankje zakt het levenloze lichaam van een man in een geel regenpak opzij.

 

Feedback van de jury:
‘Het verhaal is vrijwel foutloos geschreven, waarbij de alinea’s soms wat aan de lange kant zijn. De opbouw is onder meer goed.Een personage met een verknipte jeugd is op zich niet bijzonder origineel en dan gaat het al snel om de uitwerking. Dat is een voortreffelijke en dat de hoofdpersoon kortsluiting krijgt wanneer een moeder – in zijn hoofd – tekeergaat tegen een kind, is een prima vondst. De laatste moord wijkt af van het patroon en is ook daarom verrassend.
Op de drie belangrijkste onderdelen – quote, inkijk in crimineel brein en thrillerelementen – is het een uitmuntend verhaal geworden dat voldoet aan het thema.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *