RO8a: Bijvoeglijke bepaling

      Reacties uitgeschakeld voor RO8a: Bijvoeglijke bepaling

Wij hebben allemaal toen we heel klein waren een taal geleerd. Niet door op school stil te zitten en op te letten, maar door taal te horen en te gebruiken, door interactie. Zo hebben we ons onbewust de regels van onze taal eigen gemaakt. Alle regels van een taal bij elkaar noemen we de grammatica van een taal. Ik maak een serie blogposts over redekundig ontleden, oftewel grammatica zinsdelen. Vandaag behandel ik stap 8a: de bijvoeglijke bepaling.

De bijvoeglijke bepaling (bvb) is geen zinsdeel, maar een zinsdeelstuk. Dat betekent dat het voorkomt binnen zinsdelen en dat het altijd ergens anders bijhoort. Het is geen zelfstandig zinsdeel. De bijvoeglijke bepaling zegt iets over een zelfstandig naamwoord en kan voor of achter het zelfstandig naamwoord staan.

Ik heb het nog niet gehad over zelfstandig naamwoorden, daarom even een korte uitleg. Zelfstandig naamwoorden zijn woorden voor mensen, dieren, planten, dingen, gevoelens en namen. Je kunt er vaak de, het of een voor zetten, je kunt er vaak meervoud van maken of een verkleinwoord.

Om de bijvoeglijke bepaling te vinden, volg je een aantal stappen.

  • Verdeel de zin in zinsdelen. Bijvoeglijke bepalingen mogen die zinsdeelstrepen niet voorbij.
  • Bepaal van elk zinsdeel de kern. Dat is belangrijkste woord uit het zinsdeel. De rest kun je weglaten, maar dit woord absoluut niet.
  • Bepaal de woordsoort van deze kern: zelfstandig naamwoord of geen zelfstandig naamwoord.
  • Benoem de bijvoeglijke bepalingen en geef aan bij welk woord (= antecedent) ze horen.
  • Check: bijvoeglijke bepalingen moet je kunnen weglaten zonder dat de structuur van de zin wordt aangetast.

Voorbeeld:

Door de hevige sneeuwval van de afgelopen week | is | het dak van onze schuur | ingestort.

In deze zin zitten twee zinsdelen die uit meer dan één woord bestaan en waarin we dus de kern kunnen zoeken.

Door de hevige sneeuwval van de afgelopen week
hevige > bvb bij sneeuwval
van de afgelopen week > bvb bij sneeuwval

In dit gedeelte is sneeuwval het kernwoord. Je kunt de rest namelijk weglaten: Door de sneeuwval is het dak van onze schuur ingestort. Je weet dan aanzienlijk minder over de sneeuwval, maar je hebt nog een goede zin. Alles wat we hebben weggelaten, zijn bijvoeglijke bepalingen.

het dak van onze schuur
van onze schuur > bvb bij dak

Een mooie manier om dit te onthouden, is de vorm van een lolly. Als je een cirkeltje om de kern van het zinsdeel zet (dat lukt helaas niet in dit blog, dus je moet het je even voorstellen), dan vormt de bijvoeglijke bepaling het stokje van de lolly. Dat stokje kan nooit verder komen dan de zinsdeelstreep.

Aan het eind van de kerstvakantie | halen | kinderen van de padvinderij | afgetuigde kerstbomen | op.
ow: kinderen van de padvinderij
wg: halen op
lv: afgetuigde kerstbomen
mv: –
bwb: aan het eind van de kerstvakantie
bvb: van de kerstvakantie > eind
van de padvinderij > kinderen
afgetuigde > kerstbomen

Stappenplan redekundig ontleden
1. Onderstreep de persoonsvorm.
2. Verdeel de zin in zinsdelen.
3. Benoem het onderwerp > wie/wat + pv?
4. Benoem het werkwoordelijk gezegde > alle werkwoorden in de zin.
5. Benoem het lijdend voorwerp > wie/wat + wg + ow?
6. Benoem het meewerkend voorwerp > aan/voor wie/wat + wg + ow + lv?
7. Benoem de bijwoordelijke bepaling(en) > prullenbak
8a. Benoem de bijvoeglijke bepaling(en) > hoort bij zelfstandig naamwoord