RO7: Bijwoordelijke bepaling

      Reacties uitgeschakeld voor RO7: Bijwoordelijke bepaling

Wij hebben allemaal toen we heel klein waren een taal geleerd. Niet door op school stil te zitten en op te letten, maar door taal te horen en te gebruiken, door interactie. Zo hebben we ons onbewust de regels van onze taal eigen gemaakt. Alle regels van een taal bij elkaar noemen we de grammatica van een taal. Ik maak een serie blogposts over redekundig ontleden, oftewel grammatica zinsdelen. Vandaag behandel ik stap 7: de bijwoordelijke bepaling.

In het kort is de bijwoordelijke bepaling (bwb) de kliko van de zinsdelen. Alles wat je overhoudt na de voorgaande stappen noemen we bijwoordelijke bepaling. Maar er valt wel iets meer over te zeggen dan dat.

De bijwoordelijke bepaling geeft vaak informatie over tijd en plaats. Er kunnen meerdere bijwoordelijke bepalingen in één zin voorkomen.

Tijdens de kerstvakantie | aten | wij | rollade | aan de keukentafel van mijn oma.
ow: wij
wg: aten
lv: rollade
mv: – (je kunt niet iets aan iemand eten)
bwb: tijdens de kerstvakantie, aan de keukentafel van mijn oma

Tijdens de kerstvakantie geeft antwoord op de vraag: wanneer? Aan de keukentafel van mijn oma geeft antwoord op de vraag: waar? De bijwoordelijke bepaling geeft ook antwoord op andere vragen: waarom, waardoor, waarmee, waarvoor, enz. Alleen de vraagwoorden wie en wat horen niet bij de bijwoordelijke bepaling. Als je nog zinsdelen over hebt die antwoord geven op de vragen wie? en wat? dan heb je in de stappen hiervoor een fout gemaakt.

Vaak geven bijwoordelijke bepalingen antwoord op een vraag, maar niet altijd. Er zijn ook kleine woordjes die we benoemen als bijwoordelijke bepaling, maar die geen antwoord geven op een vraag. Voorbeelden hiervan zijn: niet, ook, nou en wel. Maar als je keurig het stappenplan zinsdelen volgt, blijven deze woordjes vanzelf over.

Dat hadden we niet afgesproken.
ow: we
wg: hadden afgesproken
lv: dat
mv: – bwb: niet

Het optreden van die gave artiest gaat toch wel door.
ow: het optreden van die gave artiest
wg: gaat door
lv: –
mv: – bwb: toch, wel.

Met deze zeven stappen hebben we alle zinsdelen in zinnen met een werkwoordelijk gezegde gehad. Je kunt nu de meeste zinnen met één persoonsvorm ontleden. Daarbij heb ik nog wel een paar belangrijke opmerkingen.
In elke zin zit een persoonsvorm, een onderwerp en een gezegde.
Niet in elke zin zit een lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp of bijwoordelijke bepaling.
Bijwoordelijke bepaling is het enige zinsdeel dat meer dan één keer kan voorkomen in de zin.
Het onderwerp en het lijdend voorwerp beginnen nooit met een voorzetsel.

Volgende week zoomen we een klein stukje in en kijken we naar een onderdeel van zinsdelen: de bijvoeglijke bepaling.

Stappenplan redekundig ontleden
1. Onderstreep de persoonsvorm.
2. Verdeel de zin in zinsdelen.
3. Benoem het onderwerp > wie/wat + pv?
4. Benoem het werkwoordelijk gezegde > alle werkwoorden in de zin.
5. Benoem het lijdend voorwerp > wie/wat + wg + ow?
6. Benoem het meewerkend voorwerp > aan/voor wie/wat + wg + ow + lv?
7. Benoem de bijwoordelijke bepaling(en) > prullenbak