RO6: Meewerkend voorwerp

      Reacties uitgeschakeld voor RO6: Meewerkend voorwerp

Wij hebben allemaal toen we heel klein waren een taal geleerd. Niet door op school stil te zitten en op te letten, maar door taal te horen en te gebruiken, door interactie. Zo hebben we ons onbewust de regels van onze taal eigen gemaakt. Alle regels van een taal bij elkaar noemen we de grammatica van een taal. Ik maak een serie blogposts over redekundig ontleden, oftewel grammatica zinsdelen. Vandaag behandel ik stap 6: het meewerkend voorwerp.

Vorige week hebben we gezien dat werkwoorden voor een groot deel de structuur van de zin bepalen. Ik vergeleek dat met zitplekken in een auto. Sommige werkwoorden hebben plek voor één persoon, sommige voor één of twee personen en sommige werkwoorden hebben per se twee personen nodig: een onderwerp en een lijdend voorwerp. Er zijn ook werkwoorden die plaats hebben voor drie personen (drieplaatsig). Dan komt er nog een meewerkend voorwerp bij.

Geven is een voorbeeld van zo’n werkwoord. Bij geven heb je drie dingen nodig: iemand die geeft, iets dat gegeven wordt en iemand die iets krijgt. Degene die iets krijgt noemen we het meewerkend voorwerp. Je kunt het meewerkend voorwerp vinden door te vragen: aan/voor wie/wat + wg + ow + lv.

De jongen | geeft | een bioscoopbon | aan zijn zus.
ow = de jongen
wg = geeft
lv = een bioscoopbon
aan/voor wie/wat geeft de jongen een bioscoopbon? Aan zijn zus.
mv = aan zijn zus

Belangrijk is dat ‘aan’ toegevoegd of weggelaten kan worden. In deze zin kan dat, kijk maar:

De jongen geeft zijn zus een bioscoopbon.

Als ‘aan’ in de zin staat, hoort het bij het meewerkend voorwerp. Als het er niet in staat, schrijf je het niet op. In bovenstaande zin is het meewerkend voorwerp dus: ‘zijn zus’. Als het meewerkend voorwerp begint met ‘voor’, kun je het meestal niet zo makkelijk weglaten. Deze zinnen komen niet zo veel voor.

Het meisje | doet | boodschappen | voor haar zieke buurvrouw.
ow: het meisje
wg: doet
lv: boodschappen
mv: voor haar zieke buurvrouw

De meeste werkwoorden die plaats hebben voor een meewerkend voorwerp hebben te maken met geven of vertellen. Als je wilt checken of een werkwoord plaats heeft voor een meewerkend voorwerp, kun je deze vraag stellen:
‘Kun je iets aan iemand [hele werkwoord]?’ Als het antwoord ja is, is het werkwoord drieplaatsig.

Kun je iets aan iemand vertellen?
Kun je iets aan iemand vergeten?Kun je iets aan iemand overhandigen?
Kun je iets aan iemand schrijven?
Kun je iets aan iemand drinken?

In zinnen met een werkwoordelijk gezegde kan alleen een meewerkend voorwerp staan als er ook een lijdend voorwerp is. Is er geen lijdend voorwerp in de zin, dan zit er ook geen meewerkend voorwerp in. Deze regel geldt niet voor zinnen met een naamwoordelijk gezegde, maar dat komt later nog.

Soms begint een zinsdeel met ‘aan’, maar is het toch geen meewerkend voorwerp. Hoe deze zinsdelen wel heten, vertel ik de volgende keer.

Aan het begin van de middag heb ik een lekker taartje gegeten.
ow: ik
wg: heb gegeten
lv: een lekker taartje
mv: –
(Aan/voor wie/wat heb ik een lekker taartje gegeten? Hier krijg je geen antwoord op.)

Stappenplan redekundig ontleden
1. Onderstreep de persoonsvorm.
2. Verdeel de zin in zinsdelen.
3. Benoem het onderwerp > wie/wat + pv?
4. Benoem het werkwoordelijk gezegde > alle werkwoorden in de zin.
5. Benoem het lijdend voorwerp > wie/wat + wg + ow?
6. Benoem het meewerkend voorwerp > aan/voor wie/wat + wg + ow + lv?