RO5: Lijdend voorwerp

      Reacties uitgeschakeld voor RO5: Lijdend voorwerp

Wij hebben allemaal toen we heel klein waren een taal geleerd. Niet door op school stil te zitten en op te letten, maar door taal te horen en te gebruiken, door interactie. Zo hebben we ons onbewust de regels van onze taal eigen gemaakt. Alle regels van een taal bij elkaar noemen we de grammatica van een taal. Ik maak een serie blogposts over redekundig ontleden, oftewel grammatica zinsdelen. Vandaag behandel ik stap 5: het lijdend voorwerp.

Sommige werkwoorden kun je in je eentje doen. Lopen, fietsen, zwemmen. Deze werkwoorden noemen we ‘eenplaatsig’ of ‘intransitief’ of ‘onovergankelijk’. Je kunt namelijk niet iets lopen, iets fietsen of iets zwemmen.

Je kunt wel iets eten, iets schrijven of iets zingen. Dat iets noemen we het lijdend voorwerp. Je vindt het lijdend voorwerp door deze vraag te stellen: wie/wat + wg + ow?

Hij heeft een werkstuk geschreven over het nieuwste computerspel.
ow = hij
wg = heeft geschreven
Wie/wat heeft hij geschreven? Antwoord: een werkstuk
lv = een werkstuk

Zoals je ziet hoef je voor de vraag van het lijdend voorwerp alleen maar woorden in te vullen die je in eerdere stappen al benoemd hebt. Let op dat je niet meer invult dan wat je nodig hebt in de vraag.

Sommige werkwoorden zorgen ervoor dat er een lijdend voorwerp in de zin móét zitten, anders kan het niet. Vergelijk deze twee zinnen:

Ik zing onder de douche.
Ik krijg in de woonkamer.

De eerste zin kan prima. Natuurlijk is dat lijdend voorwerp impliciet wel aanwezig. Je kunt namelijk niet zingen zonder dat je iets zingt. Maar we hoeven het niet te benoemen zonder een goede zin te maken.

De tweede zin is niet grammaticaal correct. Je kunt namelijk niet iets krijgen zonder dat het iets benoemd wordt. Deze zin heeft een lijdend voorwerp nodig. Bijvoorbeeld zo:

Ik krijg mijn verjaardagscadeau in de woonkamer.
ow = ik
wg = krijg
Wie/wat krijg ik? Antwoord: mijn verjaardagscadeau
lv = mijn verjaardagscadeau

Werkwoorden bepalen voor een groot deel de structuur van de zin. Ze geven bijvoorbeeld aan hoeveel andere ‘personen’ er nog nodig zijn. Zie het als zitplekken in een auto. Een éénplaatsig werkwoord heeft maar plek voor één persoon: het onderwerp. Een één- of tweeplaatsig werkwoord heeft plek voor één of twee personen: in elk geval een onderwerp, het lijdend voorwerp is optioneel. Een tweeplaatsig werkwoord (ook wel transitief/overgankelijk werkwoord genoemd) moet per sé twee plekken vullen: een onderwerp en een lijdend voorwerp. Krijgen is daar een voorbeeld van.

Om te controleren of een werkwoord een lijdend voorwerp kan hebben, kun je deze vraag stellen:
‘Kun je iets [hele werkwoord]?’ Als het antwoord ja is, is het werkwoord (één of) tweeplaatsig.
Kun je iets fietsen?
Kun je iets gooien?
Kun je iets vergeten?
Kun je iets zitten?

Stappenplan redekundig ontleden
1. Onderstreep de persoonsvorm.
2. Verdeel de zin in zinsdelen.
3. Benoem het onderwerp > wie/wat + pv?
4. Benoem het werkwoordelijk gezegde > alle werkwoorden in de zin.
5. Benoem het lijdend voorwerp > wie/wat + wg + ow?