RO4b: Naamwoordelijk gezegde

      Reacties uitgeschakeld voor RO4b: Naamwoordelijk gezegde

Wij hebben allemaal toen we heel klein waren een taal geleerd. Niet door op school stil te zitten en op te letten, maar door taal te horen en te gebruiken, door interactie. Zo hebben we ons onbewust de regels van onze taal eigen gemaakt. Alle regels van een taal bij elkaar noemen we de grammatica van een taal. Ik maak een serie blogposts over redekundig ontleden, oftewel grammatica zinsdelen. Vandaag behandel ik stap 4b: het naamwoordelijk gezegde.

Eerder hebben we het gehad over het werkwoordelijk gezegde: alle werkwoorden in de zin. Veel zinnen hebben een werkwoordelijk gezegde. In die zinnen gebeurt iets: iemand doet iets of overkomt iets.
Er zijn ook zinnen met een meer statische inhoud: iemand heeft een bepaald kenmerk of eigenschap. Dat zijn zinnen met een naamwoordelijk gezegde (ng).

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit twee delen: een werkwoordelijk deel en een naamwoordelijk deel.

  • werkwoordelijk deel: alle werkwoorden in de zin. Een van die werkwoorden is een koppelwerkwoord (een vorm van zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken of voorkomen). Er kan maar één koppelwerkwoord in de zin staan. Eventuele andere werkwoorden zijn hulpwerkwoord.
  • naamwoordelijk deel: een zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord met de rest van het zinsdeel eromheen. Het naamwoordelijk deel moet een eigenschap of kenmerk noemen van het onderwerp. Voor de duidelijkheid zetten we vierkante haken rondom het naamwoordelijk deel.

Voorbeeld:
Jan | is  | jarig.

ow: Jan
ng: is [jarig]

Is is een vorm van zijn. Dat kan dus een koppelwerkwoord zijn.
Jan is het onderwerp.
Jarig zegt iets over Jan en het is een bijvoeglijk naamwoord.

Let op! In deze twee situaties heb je géén naamwoordelijk gezegde (en dus gewoon een wg):

  • Er staat geen vorm van een koppelwerkwoord in de zin.
  • Er wordt geen eigenschap van het onderwerp genoemd. De werkwoorden die koppelwerkwoord kunnen zijn, kunnen namelijk ook als zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord voorkomen.

Twee voorbeelden:
Het huis | wordt | heel erg mooi.

ow: het huis
ng: wordt [heel erg mooi](mooi is een bijvoeglijk naamwoord en zegt iets over het huis)

Het huis | wordt | volgende week | afgebroken.

ow: het huis
wg: wordt afgebroken
bwb: volgende week
(volgende week zegt niets over het huis en wordt is een hulpwerkwoord bij afgebroken)

Hoe vind je het naamwoordelijk gezegde?
Net als ‘anders’ begin je met het onderstrepen van de persoonsvorm, het verdelen van de zin in zinsdelen en het benoemen van het onderwerp. Vervolgens zoek je alle werkwoorden in de zin en kijk je welke het belangrijkst is. Bij meer dan één werkwoord in de zin is de persoonsvorm nooit het belangrijkste werkwoord. (Ik kom hier bij grammatica woordsoorten nog op terug.) Vervolgens stel je eerst vast of het belangrijkste werkwoord een vorm van een koppelwerkwoord is. Daarna moet je nog op zoek naar een naamwoordelijk deel: iets dat een eigenschap of kenmerk van het onderwerp noemt.

Tip: het naamwoordelijk deel kun je makkelijk vinden door te vragen: wie/wat + pv + ow? Dat is dezelfde vraag die je stelt om het lijdend voorwerp te vinden. In een zin met een naamwoordelijk gezegde komt dan ook nooit een lijdend voorwerp voor. Een meewerkend voorwerp is wel mogelijk, in dat geval vul je op de plek van het lv in de vraag om het mv te vinden het naamwoordelijk deel in.

Nog een paar voorbeelden.

  • ‘Standaardzin’ met een naamwoordelijk gezegde:
    Marcel |   is    | ziek.
    ow: Marcel
    ng: is [ziek]
    (Is is een vorm van zijn en kan dus een kww zijn. Jarig zegt iets over Marcel.)
  • Zin met een ng en twee werkwoorden:
    Hij  | is  | een jaar ouder | geworden.
    ow: hij
    ng: is [een jaar ouder] geworden
    (Geworden is een vorm van worden en kan dus een kww zijn. Is is een hww bij geworden. Een jaar ouder zegt iets over hij en ouder is een bn.)
  • Zin waarin een mogelijk kww geen kww is.
    Hij  |  is   | op school | gezien.
    ow: hij
    wg: is gezien
    bwb: op school
    (Is kan een kww zijn, maar in deze zin is het een hww bij gezien. Gezien komt van zien en dat kan geen kww zijn. Op school zegt niets over hij maar geeft antwoord op de vraag waar?)
  • Ook in Nederland | wordt | een warme zomer | heel gewoon.
    ow: een warme zomer
    ng: wordt [heel gewoon]
    bwb: ook in Nederland
  • Voor volgende week | wordt | mooi weer | verwacht.
    ow: mooi weer
    wg: wordt verwacht
    bwb: voor volgende week
  • Al jong | kon | de kleuter | het middelpunt van alle aandacht | zijn.  
    ow: de kleuter
    ng: kon [het middelpunt van alle aandacht] zijn
    bwb: al jong

Stappenplan redekundig ontleden
1. Onderstreep de persoonsvorm.
2. Verdeel de zin in zinsdelen.
3. Benoem het onderwerp > wie/wat + pv?
4a. Benoem het werkwoordelijk gezegde > alle werkwoorden in de zin.
óf
4b. Benoem het naamwoordelijk gezegde > werkwoordelijk deel + naamwoordelijk deel
5. Benoem het lijdend voorwerp > wie/wat + wg + ow? (alleen bij wg)
6. Benoem het meewerkend voorwerp > aan/voor wie/wat + wg + ow + lv?
7. Benoem de bijwoordelijke bepaling(en) > prullenbak
8a. Benoem de bijvoeglijke bepaling(en) > hoort bij zelfstandig naamwoord
8b. Benoem de bijstelling > zinsdeelstuk tussen komma’s