RO4: Werkwoordelijk gezegde (wg)

      Reacties uitgeschakeld voor RO4: Werkwoordelijk gezegde (wg)

wordcloud10Wij hebben allemaal toen we heel klein waren een taal geleerd. Niet door op school stil te zitten en op te letten, maar door taal te horen en te gebruiken, door interactie. Zo hebben we ons onbewust de regels van onze taal eigen gemaakt. Alle regels van een taal bij elkaar noemen we de grammatica van een taal. Ik maak een serie blogposts over redekundig ontleden, oftewel grammatica zinsdelen. Vandaag behandel ik stap 4: het werkwoordelijk gezegde.

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin. Daar hoort dus ook de pv bij.

Jan fietst naar school
wg = fietst

Jan is naar school gefietst.
wg = is gefietst

Volgens Willem zou Jan naar school zijn gefietst.
wg = zou zijn gefietst

Bij scheidbare werkwoorden horen beide delen bij het wg.

Ik bel mijn moeder op.
pv = bel
wg = bel op

De docent keek de toetsen na.
wg = keek na

Als er te of aan het voor het werkwoord staat, hoort dat ook bij het wg.

Hij zit een film te kijken op de bank
wg = zit te kijken

Wat ben jij aan het doen?
wg = ben aan het doen

Het wordt iets lastiger als je te maken hebt met een werkwoordelijke uitdrukking. Dat is namelijk een constructie waarbij het werkwoord niet letterlijk wordt gebruikt, maar in combinatie met een ander zinsdeel een vaste uitdrukking vormt.

De leerling speldde zijn docent een doorzichtig smoesje op de mouw.
wg = speldde op de mouw

Het gaat hierbij niet om letterlijk iets aan een mouw vast spelden.
Vergelijk:

De coupeuse speldde een randje kant op de mouw van de trouwjurk.
wg = speldde

Het gaat hier om letterlijk iets met spelden bevestigen aan een mouw. Er is dus geen sprake van een werkwoordelijke uitdrukking.

Stappenplan redekundig ontleden
1. Onderstreep de persoonsvorm.
2. Verdeel de zin in zinsdelen.
3. Benoem het onderwerp > wie/wat + pv?
4. Benoem het werkwoordelijk gezegde > alle werkwoorden in de zin.